Noten in de tekst

         

(1) Foinicië: Normaal wordt dit aldus geschreven: Phœnicië. Maar dit is niet wat mij stoort in deze vertaling van Gerard Jansen en Goverdien Hauth-Grubben. In de tijd dat Diogenes Laërtes deze tekst schreef, verwees Phœnicië meestal naar Carthago. En in de vertaling had bij het noemen van Phœnicië of een voetnoot op zijn plaats geweest of een directe verwijzing naar Cathago. Het probleem is namelijk dat Phœnicië niet één stad of land is, maar heel verschillende steden die verspreid liggen in het hele Middellands Zeegebied. Met Phœnicië zou ook Tyrus (Libanon), Cadiz (Spanje) of zoals hier waarschijnlijk Carthago (Tunesië) bedoeld kunnen zijn. Zeno, een Phœniciër, kwam van het eiland Cyprus, waar een grote groep Phœniciërs woonde. Misschien kwam hij met zijn lading purper van Cyprus?

         

(2) De purperen verfstof die men gebruikte voor de koningsmantel gaf aan de Phoeniciërs hun naam, omdat zij alle zeeën bevoeren om de grondstof hiervoor, een zeeslak, te vinden! Deze purper-rode kleur op een mantel maakte het onderscheid tussen een koning en een gewone inwoner van een land. En met iemand die zo′n mantel droeg, daar moest je rekening mee houden! Een lap van deze stof gaf de ene vorst aan een andere vorst ten geschenke als teken dat men elkaars rechten respecteerde. Zó heeft de Phoenicische koning Hiram I waarschijnlijk zo′n purperen lap als mantelstof aan David of Salomon gegeven.

         

(3) Schipbreuk: schipbreuk lijden was een van de grootste angsten in de Klassieke Oudheid. We waren het gegeven ook al tegengekomen op een eerder blog. Hierin staat het gehannes rond een wisselbeker centraal. De beker wordt Thales toegeschoven, omdat hij de wijste van alle mensen zou zijn. Maar Thales wil hem niet hebben, en de beker wordt van de ene wijze doorgegeven aan de andere om tenlotte in Delfi terecht te komen. Het orakel besliste vaak in ruzies tussen steden en staten. Maar misschien hadden ze liever gezien dat de wisselbeker op bodem van de zee was terecht gekomen?

         

(4) Kerameikoswijk: de pottenbakkerswijk. Zeno schaamt zich niet alleen, omdat het lijkt alsof er poep langs zijn benen loopt, maar ook omdat hij niet kan voorkomen dat de (kostbare) pot met linzensoep ‚Äékapot gaat. Naast deze wijk van de pottenbakker lag door een muur ervan afgescheiden de bekendste begraafplaats van Athene. Ik krijg de indruk dat de pottenmakers de urnen verschaften voor (beroemde) overledenen. Daarnaast waren de potten van belang tijdens de viering van het Feest van de Potten. In klassiek Athene was een beroemd festival, Anthesteria, het Feest van de Potten (kruiken). Op deze dag werden de overledenen herdacht. Vergelijk hiermee het blog met het verhaal van Pirandello!

         

(5) Nasreddin en de pot! En het verhaal over Nasreddin die bij voorbaat zijn dochter slaat:

Hij geeft zijn dochter een stevige klap en draagt haar daarna op om een kruik met water te gaan vullen. Anderen die daarbij aanwezig zijn, zeggen: “Waarom sla je je dochter. Ze heeft toch niets misdaan?” Waarop hij antwoordt: “Is het niet beter te straffen om te voorkomen dat iemand iets fout doet? Ik weet zeker dat ze zo dadelijk de kruik laat vallen en dan is hij stuk, als ik haar niet tevoren klappen geef. Nu bestaat er nog een kans dat ze met de kruik heel thuis terugkomt.”

Waar het verhaaltje opslaat is duidelijk: de kruik gaat zolang te water tot hij breekt. Het gaat dan om het putten van water uit een put, waarbij de stenen kruik waarin water gehaald werd, tegen de zijkant van de put stuk sloeg. Gecombineerd met het dikke buikje van Zeno (zie blog) en de beeldspraak van de op en neergaande kruik in de put, ligt de symbolische betekenis voor de hand. Nasreddin is bang dat zijn dochter zwanger raakt door het blijkbaar nogal roekeloze seksuele gedrag dat zij erop na houdt.

         

(6) Jurk: Hier gaat het fout in de vertaling van Gerard Jansen en Goverdien Hauth-Grubben. In het Grieks staat er niet “jurk”, een kledingstuk dat volgens mij nog niet bestond, maar “mantel” (θοιμάτιον; in de Griekse tekst hieronder in het rood aangegeven). En waarom is dit zo′n blunder? Er is in allerlei fragmenten benadrukt dat zowel Krates als Hipparchia zich op dezelfde eenvoudige manier kleedden: in een mantel! Daarmee benadrukten ze dat mannen en vrouwen gelijk waren. Het tegenovergestelde effect heeft een jurk.

         

(x)

Oorspronkelijke tekst: Diogenes Laërtes, Levensgeschiedenissen van eminente filosofen, Hipparchia, 6, 96– 98.

Κεφ. ζ᾽. ΙΠΠΑΡΧΙΑ

[96] Ἐθηράθη δὲ τοῖς λόγοις καὶ ἡ ἀδελφὴ τοῦ Μητροκλέους Ἱππαρχία. Μαρωνεῖται δ᾽ ἦσαν ἀμφότεροι.

Καὶ ἤρα τοῦ Κράτητος καὶ τῶν λόγων καὶ τοῦ βίου, οὐδενὸς τῶν μνηστευομένων ἐπιστρεφομένη,

οὐ πλούτου, οὐκ εὐγενείας, οὐ κάλλους: ἀλλὰ πάντ᾽ ἦν Κράτης αὐτῇ. καὶ δὴ καὶ ἠπείλει τοῖς γονεῦσιν ἀναιρήσειν αὑτήν, εἰ μὴ τούτῳ δοθείη. Κράτης μὲν οὖν παρακαλούμενος ὑπὸ τῶν γονέων αὐτῆς ἀποτρέψαι τὴν παῖδα, πάντ᾽ ἐποίει, καὶ τέλος μὴ πείθων, ἀναστὰς καὶ ἀποθέμενος τὴν ἑαυτοῦ σκευὴν ἀντικρὺ αὐτῆς ἔφη, "ὁ μὲν νυμφίος οὗτος, ἡ δὲ κτῆσις αὕτη, πρὸς ταῦτα βουλεύου": οὐδὲ γὰρ ἔσεσθαι κοινωνόν, εἰ μὴ καὶ τῶν αὐτῶν ἐπιτηδευμάτων γενηθείη.

 [97] Εἵλετο ἡ παῖς καὶ ταὐτὸν ἀναλαβοῦσα σχῆμα συμπεριῄει τἀνδρὶ καὶ ἐν τῷ φανερῷ συνεγίνετο καὶ ἐπὶ τὰ δεῖπνα ἀπῄει. ὅτε καὶ πρὸς Λυσίμαχον εἰς τὸ συμπόσιον ἦλθεν, ἔνθα Θεόδωρον τὸν ἐπίκλην Ἄθεον ἐπήλεγξε, σόφισμα προτείνασα τοιοῦτον: ὃ ποιῶν Θεόδωρος οὐκ ἂν ἀδικεῖν λέγοιτο, οὐδ᾽ Ἱππαρχία ποιοῦσα τοῦτο ἀδικεῖν λέγοιτ᾽ ἄν: Θεόδωρος δὲ τύπτων ἑαυτὸν οὐκ ἀδικεῖ, οὐδ᾽ ἄρα Ἱππαρχία Θεόδωρον τύπτουσα ἀδικεῖ. ὁ δὲ πρὸς μὲν τὸ λεχθὲν οὐδὲν ἀπήντησεν, ἀνέσυρε δ᾽ αὐτῆς θοιμάτιον: ἀλλ᾽ οὔτε κατεπλάγη Ἱππαρχία οὔτε διεταράχθη ὡς γυνή. 3 [98] ἀλλὰ καὶ εἰπόντος αὐτῇ, αὕτη 'στὶν ἡ τὰς παρ᾽ ἱστοῖς ἐκλιποῦσα κερκίδας;

"ἐγώ," φησίν, "εἰμί, Θεόδωρε: ἀλλὰ μὴ κακῶς σοι δοκῶ βεβουλεῦσθαι περὶ αὑτῆς, εἰ, τὸν χρόνον ὃν ἔμελλον ἱστοῖς προσαναλώσειν, τοῦτον εἰς παιδείαν κατεχρησάμην;" καὶ ταῦτα μὲν καὶ ἄλλα μυρία τῆς φιλοσόφου.