Spring hier naar de originele teksten van Rabelais..

Noten bij Gargantua

(1) Het boek met de noten genoemd in mijn vorige blog vermeldt dat Rabelais met Fayole misschien François de Fayolles heeft bedoeld. Op het internet is maar weinig over deze persoon te vinden. In de noten staat dat deze François baas was van de Coulonges les Royaux, een grondbezit in het westen van Frankrijk. Misschien is het één van de mecenassen van Rabelais. François de Fayolles is familie van de Estissac′s, een andere voorname familie uit de tijd van Rabelais.

         

(2) Numidië is de naam van een deel van noord Afrika in de Oudheid. Al van ouds stond de streek bekend om zijn paarden en het gemak waarmee de bewoners paardreden. Dit kan men tegenwoordig nog bijwonen op een Fantasia. De spelen zijn bekend onder de namen ‘laâb–el–baroud’(kruitspelen: لعب البارود), omdat er geweren bij worden afgeschoten, of ‘laâb–el–kheil’ (paardenspelen: لعب الخيل), omdat men te paard zit.

         

(3) Hier lijkt Rabelais echter te zinspelen op het paard van Troje, waarin de Grieken zich verborgen om de stad in te nemen. Ook Gargantua begeeft zich, in dit geval op een “ paard”, in de richting van een stad, Parijs dat hij lijkt te willen veroveren. Rabelais was in 1483 of 1494 geboren: dit is precies voor of vlak na de verdrijving van de noord Afrikaanse Moren uit Spanje. Het monster waarop Rabelais zinspeelt, lijkt een toespeling op de Reconquista die in 1492 zijn voltooing vond. El Cid, de bekendste veroveraar van Spanje uit die tijd, is ook de naam voor Herakles (Al–sid–es) in de Oudheid. Gargantua kijgt hier trekken van Herakles, die zich vaak in de omgeving van Troje ophield. Daarvan was Rabelais ongetwijfeld op de hoogte.

         

(4) En nog een toespeling op het verleden: de tocht van Hannibal vanuit Spanje over de Pyreneeën, door Frankrijk heen en door de Alpen met inderdaad maar een stuk of 6 olifanten.

         

(5) Plinius de Oudere, Naturalis Historia, VIII, 68:“nec caesaris dictatoris quemquam alium recepisse dorso equus traditur, idemque similes humanis pedes priores habuisse, hac effigie locatus ante veneris genetricis aedem.” Vertaling: “Ze zeggen dat Cesar, de dictator, een paard had, dat niemand anders dan hij kon bestijgen, en dat de hoeven van zijn voorpoten als die van een mens waren; inderdaad staat er bij de tempel van Venus Genetrix zo′n beeld”. Zie ook de noten (16) en (17) in mijn vorig blog.

         

(6) In de noten zegt Michel Butor dat hij denkt dat Langue –goth eigenlijk gespeld zou moeten worden langue d′ oc, een taal in het zuiden van Frankrijk met een nogal opvallende tongval verwant aan het Catalaans. Maar het zou volgens mij ook een toespeling kunnen zijn op de Gothen, een volk uit het noorden, meestal geassocieerd met de Duitsers. Daarvoor pleit dat Rabelais het Duitse sleutelwoord “trinke” al heeft geïntroduceerd in zijn verhaal (zie vorig blog). Ten slotte zou je het kunnen vertalen met “de taal van god”, wat weer te verdedigen valt, omdat Rabelais veel religieuze tendensen opneemt in zijn verhaal. In ieder geval suggereren de lange hangende oren, dat men (god) zich gewillig beet laat nemen.

         

(7) Zuilen waren in de Oudheid erg belangrijk. De Zuilen van Hercules gaven niet ongemerkt toegang tot de Atlantische Oceaan en Middellandse Zee, maar hierop stonden allerlei regels geschreven waaronder schepen gebruik van de doorgang bij Gibraltar (Càdiz) mochten maken. Op de Zuilen in Tyrus, ook van Hercules, stonden de regels waaraan men zich moest houden, wilde men de stad en het achterland betreden. (Tyrus waren we al eerder tegengekomen in een verhaal over de manier van analyseren door Freud.) Deze teksten met regels zijn in het algemeen grotendeels verloren gegaan, maar uit de beschrijving van deze tempels met zuilen maak ik op dat er stukken perkament (?) aan de zuilen opgehangen waren, waarin deze regels stonden. Mijn broer vertelde mij het verhaal dat een Chinese keizer een zuil had met uitleg over verschillende godsdiensten en hoe de aanhangers daarvan met elkaar moesten omgaan. De zuil bevatte een samenvatting van het Hindoeïsme, de Christelijke godsdienst, het Boeddhisme etc. Op de Zuil van Hammoerabi stond de eerste grondwet waaruit wij nog steeds grote delen hebben overgenomen. In de Islam wordt nog altijd gesproken van de Vijf Zuilen van de Islam (arkan–al–islam: أركان الإسلام).

         

(8) Saint Mars, vertaling Heilige Oorlog, in het Arabisch Jihad (جهاد) staat hier duidelijk als een verwijzing naar de Reconquista: zie noot 3. In de noten van Michel Butor in het al eerder aangehaalde boekje “Gargantua” staat dat er een plaatsje met die naam in de geboortestreek van Rabelais (Chinon) was. Wat een toeval!

         

(9) In de taal van Rabelais staat er “bled”. Gezien de vorige verwijzingen naar de Reconquista, ligt een vertaling van hetzelfde woord, “bled” (بلد) uit het Arabisch voor de hand. Het betekent dan “(platte)land”, “(geboorte)plaats” of “(geboortestreek)”.

         

(10) Ik ken de Scythen hoofdzakelijk uit de Historiën van Herodotus, waar ze uitgebreid worden besproken in Boek 4. Af en toe merk je dat Herodotus Scythische zegslieden zelf aan het woord laat. Op die manier wordt het niet zozeer een hoofdstuk over de Scythen, maar een overzicht van wat ze weten. Herodotus laat ook verschillende keren weten, dat hij zelf er soms niets van gelooft. Hij legt bijvoorbeeld uit dat het woord voor “veer” in het Scytisch hetzelfde is als dat voor “sneeuwvlok”. Het gebied waarover men het heeft, strekt zich blijkbaar uit van de Zwarte Zee (de naam De Krim valt verschillende keren) tot aan de Noord Pool. Herodotus heeft het over een gebied waar men een half jaar slaapt (waarschijnlijk omdat het dan steeds nacht is). Maar in hetzelfde hoofdstuk 4 staat de beroemde passage waarin sprake is van de Phoeniciërs die vanuit de Rode Zee vertrekken en twee jaar later via de Zuilen van Herakles weer in Egypte terugkeren. Onderweg hebben ze de zon eerst rechts zien ondergaan, varend in zuidelijke richting, en bij terugkeeer, varend in noordelijke richting, rechts zien opkomen. “Ze zagen de zon (steeds) aan hun rechterhand” wat Herodotus echt niet kan geloven! Wij weten tegenwoordig dat dat wél kan: ze zijn om Afrika heen (bij Herodotus steevast Lybië genoemd) gevaren! En dit alles krijgt de naam Scythisch mee, omdat het staat in het hoofdstuk over de veldtocht van Darius tegen de Scythen.
In paragraaf 29 hebben ze het dan over rammen. Maar niet over de dikte van de staarten. Waarschijnlijk vermeldt Rabelais dit, omdat hij weet dat het gebruik is om aan de staart van een schaap te voelen hoe vet hij is. Dat gebeurt vandaag de dag nog steeds. Herodotus heeft er niets mee te maken. Wél staat bij Herodotus, die zich op Homerus (!) beroept te lezen: “Lybia (=Afrika) waar de rammen worden geboren met horens.” In hoofdstuk 4 van de Odyssee van Homerus lezen we: “In Lybia (= Afika) was ik waar de lammeren worden geboren met horens, en de ooien driemaal jongen per jaar, zodat niemand van veehouder tot herder, ooit kaas, melk of verse melk te kort komt, want heel het jaar door hebben de schapen volle uiers.” En zo komen we toch in de buurt van de bedoeling van Rabelais: laten zien dat je niet zó moet opscheppen, omdat er altijd wel anderen zijn die het nog beter kunnen en hebben. Maar ook alles beter kunnen en hebben is niet altijd goed. Want veel wonderlijke wezens uit Noord Afrika met geweldige kwaliteiten waren monsters, zoals we hebben kunnen lezen in het begin van deze reis naar Parijs.

         

(11) Jean Thenaud is de schrijver van een boek met de titel “Le voyage et itinéraire d′ oultre mer…” (Reis en routebeschrijving naar de overzijde van de zee —bedoeld is de Middellandse Zee) Thenaud verbleef voornamelijk lange tijd in Egypte. Hij hield blijkbaar van overdrijving. Op pagina 43 (zie afbeelding hiernaast) van deze reisbeschrijving vinden we inderdaad precies wat Rabelais zegt: De schapen moeten hard (moult) werken. Daartoe worden er karretjes aan hun horens vastgemaakt die de schapen voorttrekken met daarop hun zware staarten.
Thenaud wordt nogmaals door Rabelais aangehaald in Boek II, op het einde van hoofdstuk 9, waarin Panurge zich voor het eerst voorstelt aan Pantagruel (bet. Alles –Grieks; overwinnend –Arabisch, en niet zoals Rabelais zelf zegt: Alles Drinkend!).

         

(12) Het is duidelijk dat Rabelais opscheppers terecht wil wijzen. Wie er precies met “jullie” is bedoeld is mij onduidelijk.

         

(13) De haven Olone moet zijn de haven met de naam Sables–d′Olonne. In de tijd van Rabelais was dit een belangrijke haven, niet zomaar een haven voor vissers en plezierjachten. Thalmondois kan ik alleen terugvinden in combinatie met deze passage uit de Gargantua. Ik weet niet wat Thalmondois toevoegt aan Sable–d′Olonne.

         

(14)De officiële uitdrukking is: “Si n′estoient messieurs les Clercs, nous vivrions comme bestes.”Vertaling: Als de heren van de clerus er niet waren, zouden wij als beesten leven. Duidelijk is dat Rabelais deze uitdrukking verhaspelt in zijn tegendeel.

         

(15)De naam Babin is onbekend. Waarschijnlijk was het de schoenmaker van Rabelais. In de vertaling worden de rode laarsjes “kothurnen” genoemd. Ik weet niet hoe Santfort bij die vertaling is gekomen. Naar mijn idee slaat de vertaling nergens op. Ik denk wél dat Annie M. G Schmidt deze passage heeft gelezen en heeft gebruikt voor het schrijven van het beroemde liedje Dikkertje Dap. Er is namelijk maar weinig voor nodig om in de op het enorme paard (bij Annie een giraf) zittende Gargantua een Dikkertje Dap te zien met zijn rode laarsjes voor de regen, vind ik. Vooral ook als je weet dat aan deze scène vooraf gaat het opmeten van Gargantua om hem in de kleren te steken, waarbij een ladder in stelling moet worden gebracht, omdat hij nu eenmaal nogal groot is uitgevallen.

         

(16) De uitleg bij Beau–ce heb ik overgenomen van Santfort (Sandfort: Fran├žois Rabelais, Gargantua en Pantagruel, Arbeiderspers, Amsterdam, 1980).

         

         

De originele teksten.

Uit: Rabelais, Les cinq livres des faits et dits de Gargantua et Pantagruel Édition intégrale bilingue, Quarto Gallimard, 2017: Comment Gargantua fut envoyé à Paris, Chapitre XVI, pag.228–230(helemaal).