Spring hier naar de de bronteksten..

La femme de Djha plus rusée que le diable!, Nora Aceval, voorwoord Leïla Sebbar, tekeningen Sébastien Pignon, uitgever Al Manar (Alain Gorius), Parijs 2013, pag 84.

         

Even voorstellen: Djha en Mart–Djha.‎

         

Inleiding.‎

Djha (Jeha in Egypte en Marokko, Jéha in Algerije, Joha, Djoha, Djoh′a, ‎Djoeha, Djeha, Djeh′a, Goha, Giucca ‎‎(Albanië), Giufa, Giucha (Sicilië), ‎Yoha (Joods-Spaans), Djah′an, Djawh′a ‎in Indonesië, en bij de Bataks ‎rond 1900, Djonaha, en Jouha in Irak) is een clownesk ‎type dat in ‎allerlei ‎grappige verhaaltjes in deze landen voorkomt. Veel ‎van deze ‎grappen ‎komen in het Turks en Perzisch voor onder de naam ‎Nasreddin. ‎Bij ons komen een aantal ‎van dezelfde grappen voor met ‎als ‎hoofdpersoon Tijl Uijlenspiegel of Groot Oog en Klein Oog (‎Sprookjes ‎van de Lage Landen). Over de Turkse ‎Nasreddin is veel ‎geschreven. Er ‎bestaan verschillende bloemlezingen met verhalen over ‎hem. In Turkije bestaat er een graf van Nasreddin, ‎omdat ze denken ‎dat hij echt bestaan ‎heeft.‎

         

Over Jeha is veel minder geschreven. De bekendste schrijvers over ‎hem ‎zijn: ‎Basset ‎en ‎Mouliéras, ‎en meer recent de Algerijn Jean ‎Déjeux. De figuur ‎Jeha is ‎waarschijnlijk ouder dan Nasreddin, al zou het feit dat de ‎Babyloniërs ‎een “Nasr” (Nişir: Gilgamesh, tablet XI, regel 141, de berg ‎waarop de ‎Ark van Noah strandt) als een godheid op een berg aan de ‎Kaspische ‎Zee vereerden, een aanwijzing kunnen zijn, dat Nasreddin ‎‎(eventueel te vertalen met “het geloof van of in Nişir”) ook heel ‎erg oude ‎voorouders heeft. De verhalen over Jeha en Nasreddin ‎overlappen ‎elkaar goeddeels, qua verspreiding en inhoud. De grappen ‎van beide ‎figuren zijn in latere tijd herteld als kinderverhalen. Bij Jeha ‎komt dit ‎minder vaak voor dan bij Nasreddin, maar dat heeft ‎waarschijnlijk met ‎zijn naamsbekendheid te maken.

         

Jeha, het mannetje.

De anekdotes waarin hij voorkomt, zou je op twee manieren ‎kunnen ‎typeren. In het ene geval verbergt hij onder overduidelijke ‎dwaasheid ‎een aangeboren, bijtend sarcasme. In het andere geval lijkt ‎hij wel een ‎allerbelachelijkste dommerik. Naast naïviteit met een ‎vleugje ‎spiritualiteit, is hij soms ook uitdrukkelijk obsceen. Dit type ‎volksheld ‎bestaat in alle landen. Vaak zijn het de landen over elkaar ‎die dit type ‎laten optreden om de ander belachelijk te maken.

         

‏Déjeux typert hem als volgt: ‏“‏‎Om iemand voor gek te verklaren zijn er in de Magreb (Marokko, ‎Algerije en Tunesië) ‎talloze ‎mogelijkheden, ‎zo wordt de door demonen ‎bezetene “mejnun” ‎‎(‎مجنون‎) ‎genoemd, iemand van wie ‎het lichaam ‎dient tot woning van ‎een ‎andere geest dan van hemzelf, ‎wordt ‎‎“meskun” (‎مسكون‎) ‎genoemd, ‎iemand die een klap van een ‎buitenaardse kracht ‎krijgt, ‎wordt ‎‎“megriar” (ook jaloers, ‎مغيار‎) ‎genoemd, iemand die zijn verstand ‎heeft ‎verloren ‎wordt “mehbul” ‎‎(‎محبول‎) genoemd, een zwak ‎begaafde ‎persoon zonder agressief ‎gedrag ‎wordt “mebruk” (‎مبروك‎) ‎genoemd, tot ‎en met de persoon waarvan ‎de ‎geestelijke huishouding ‎door iemand ‎anders volledig is ‎overgenomen, die ‎‎“memluk” (‎مملوك‎) ‎wordt genoemd ‎of diegene die ‎zich gek gedraagt en van wie ‎wordt ‎gezegd dat hij ‎‎“geschokt” ‎‎“mekhalkhal” (‎مخخل‎) is of ook nog de gek in ‎de ‎betekenis ‎van “gek” bij ‎ons, “ahmaq” (‎اَحْمَاقْ‎) wat in Marokko ook ‎nog ‎zoiets ‎betekent als ‎gewoon dwaas, een stommerik.‎

Maar Jeha is geen gek, wordt niet door een ‎buitenaardse ‎kracht ‎geslagen, is ‎geen bezetene, is geen zwakzinnige. ‎Ook is hij ‎geen ‎‎heilige ‏‎‘gelukzalige’ ‎‎(mejdub, ‎مجذوب‎) in trance, maar ‎eerder zoals ‎Tobie ‎Nathan heeft geschreven, ‎beweegt hij zich over de ‎markt als ‎‎‘een ‎gecodeerde waarheid verborgen ‎achter een ‎laag ‎humoristische ‎schmink’.‎‏

         

Hij lijkt veel weg te hebben van de vreemdeling in een ver weg land, ‎waarom gelachen wordt en grappen worden gemaakt om hem of haar ‎zich te laten aanpassen aan zijn omgeving. Montesquieu zou hem zo hoofdpersoon ‎in zijn Lettres persanes hebben kunnen ‎maken.‎

         

Mevrouw Djha.‎

De vrouw van Djha veroorlooft zich vrijheden, die weinig ‎overeenkomen met de vrijheid van de vrouw in werkelijkheid. Omdat ‎de grappen vooral in het Midden Oosten en in Noord Afrika worden ‎verteld, is de tegenstelling met de vrijheid die de vrouw in deze ‎regionen geniet des te groter. Ongesluierd de straat op gaan in een ‎plattelandsgemeenschap in Algerije, kan niet. Alleen ′s nachts door het ‎dorp struinen als vrouw, is een gotspe. Wanneer de zedenmeesters de ‎vrouw van Djha ertoe verplichten om achterstevoren op een ezel te ‎gaan zitten uit schaamte, doet haar man het voorkomen dat hij haar ‎rechtvaardigingen voor haar gedrag gelooft en dat ze onschuldig is, ‎zelfs als hij haar met twee liefjes in bed betrapt. Hij tolereert de ‎vrijheid van zijn vrouw: hij is niet jaloers noch bezitterig. Hij en Zij richten zich ‎naar deze omkering van de mannen- en vrouwenrol. Haar slimheid ‎speelt in op de gladde geslepenheid van de verkoper van sardines en ‎de cadi (rechter), omdat haar slimheid geld in het laadje brengt. De ‎echtgenotes leven voortdurend met honger waardoor ze er niet ‎onderuit komen steeds te denken aan eten kwarteltjes, sardines, vlees, ‎soep of couscous……

         

Soms heeft ze een naam: soms Khadija, soms Atika, Aïcha, maar ‎meestal wordt ze gewoon ‘de vrouw van Djha’ genoemd. Vrouwen ‎heten vaak de vrouw van die en die. Haar man, Djha, is weduwnaar en ‎is hertrouwd met haar. Soms heeft hij niet één vrouw, maar twee of ‎zelfs drie vrouwen.

         

De vrouw, de man en het mes.‎

Messen spreken tot de verbeelding van jongeren. Daarom zullen we ‎kort stilstaan bij een opvallend kenmerk van deze grappen waarin de ‎vrouw van Djha een belangrijke rol speelt. In het ene geval wordt ‎gesuggereerd dat Djha het op de ballen van zijn vriend gemunt heeft. ‎In het andere geval lijkt het alsof hij zijn vrouw vermoord. Let bij het ‎blog van vandaag op het verschil in sfeer tussen de ene grap en de ‎andere. Het is duidelijk dat de eerste grap met de tijd is meegegaan: ‎alle brute geweld is eruit verdwenen. Alleen de dreiging met geweld is ‎overgebleven. In de oudste grap komt ook de dreiging voor: hij ‎vermoordt haar niet echt. Maar laat wel “zijn vrienden” hun vrouwen ‎vermoorden! Door het bloed dat erin voorkomt, doet de grap aan ‎een scène uit een toneelstuk van Shakespeare denken. Wordt het dreigen in ‎het eerste geval kleiner gemaakt; in het tweede geval wordt de ‎dreiging groter gemaakt. Toch maken de beide grappen deel uit van ‎dezelfde serie grappen, waarin een mes kan doden en tot leven kan ‎opwekken. In de tweede grap zou je je zo in de Romeinse tijd kunnen ‎wanen, met veel mensen langs de weg, ook struikrovers en dieven. ‎Alle ingrediënten van het Romeinse theater zijn in de tweede grap ‎terug te vinden. In de serie komt het zich in huiden kleden voor, en ‎speelt de grap zich af in een omgeving zoals je dat op schilderijen zoals ‎hieronder afgebeeld kunt zien (afbeelding Pieter Brueghel de Oude). Opvallend is dat messen alleen maar in deze grappen op de proppen ‎komen, waarin de vrouw van Djha een rol speelt. De reden waarom ‎het mes wordt getrokken, is niet alleen jaloezie of levensbehoud. ‎Freud zou zeggen: in deze grappen staat het mes ongetwijfeld symbool ‎voor het mannelijk geslachtsorgaan, dat zich als dreigend wapen heeft ‎verzelfstandigd, omdat de man voor schut staat. Maar het gaat ook ‎niet alleen om de eer van de man of de stam, het mes wordt magische ‎krachten toebedacht. Het lijkt te suggereren dat met het nemen van ‎dat ene leven Het Enige Echte Leven niet ophoudt.

Misschien zou je in de uitleg hierboven aanwijzingen kunnen vinden, ‎waarom ‘het mes’ jongeren van nu zo aanspreekt? Is het de ‎onzekerheid van de eigen positie en rol in ‘onze’ maatschappij?

         

Literatuurgeschiedenis.‎

Als je overleveringen die voor historisch doorgaan, in de ogen van ‎verscheidene schrijvers mag geloven met betrekking tot de anekdotes ‎en gevatte antwoorden op conto van mijnheer Djha, zou de auteur ‎ervan een zekere Nasreddin Hodja (of Khodja) zijn, die inderdaad ‎volgens de Turken een historische figuur zou zijn. Enige westerse ‎wetenschappers zijn dezelfde mening toegedaan, omdat ze de ‎graftombe hebben gezien, waarin Nasreddin is begraven. Maar een ‎graftombe is geen bewijs voor het al dan niet historisch zijn van de ‎aldaar begraven persoon: ligt er wel iemand begraven, en is het wel de ‎persoon die men beweert er te zijn begraven? Belangrijker is dat de ‎Turkse versie een vertaling lijk te zijn van Arabische anekdotes, ‎omdat de Arabische versie onder de naam Djoha vóór de komst van de ‎Turken naar Klein Azië verschijnt in een lijst van Arabische literatuur ‎van voor hun tijd. Het gaat dan om het boek Kitab el Fihirst van de schrijver Mohammed ‎ben Ishaq el Warraq (ook wel genoemd Ibn Nadim). Hij noemt omstreeks ‎‎950 naChr een bloemlezing met grappige verhalen onder de naam ‎Djoha. De schrijver van deze bloemlezing is onbekend. Daarnaast ‎gebruikt de bekende Turkse/Perzische mysticus Jalal addin Rumi in zijn literaire werk ‎altijd de naam Djoha. De naam Nasreddin is hem blijkbaar onbekend.‎‎

         

Djoha is af en toe naïf, dan weer heel erg geestig, soms belachelijk en ‎soms obsceen. Dit type verhalen kun je over de hele wereld ‎terugvinden, en worden dan trickster-verhalen ‎genoemd. Van de ‎vele verhalen die er oorspronkelijk waren en die in de Fihirist worden ‎genoemd, is de naam van één nu nog bekend (volgens Basset), de overige verhalen zijn ‎verdwenen. Ik denk dat er ergens in archieven in de bibliotheek van ‎het Vaticaan of in het Algerijnse Tlemcen, nog een boek is te vinden, ‎waarin deze verhalen staan opgeschreven met aanwijzingen voor ‎muziek en vertelwijze. Maar dat is pure speculatie op basis van enkele ‎aanwijzingen, die ik hier verder niet ga toelichten (geheim!) Later zijn ‎deze oorspronkelijk Arabische, Hebreeuwse of ‎Fenicische/Kanaänitische verhalen vertaald in het Turks. Het vertalen ‎ervan was namelijk kenmerkend voor deze verhalen. Ze werden steeds ‎van de ene taal in de andere (verwante) taal vertaald, waardoor ‎communicatie in stand bleef tussen de verschillende taalgroepen. ‎Mondeling waren in de verschillende taalgroepen identieke grappen ‎bekend, wat hielp bij het vertalen en het op schrift stellen ervan.‎

         

De eerste volledig uitgeschreven verhalen komen ‎uit de tijd rond ‎‎1200nChr. Het gaat dan om een personage ‎waaromheen de buren ‎allerlei ‎anekdotes vertellen. Opvoeding lijkt een belangrijk oogmerk ‎om de ‎verhalen op te schrijven. Een ander belangrijk element is het ‎onderscheiden van de gewoontes en de cultuur van de ene ‎gemeenschap van die van een andere vreemde cultuur. Merkwaardig ‎is dat dit onderscheid maken universeel zo op steeds dezelfde manier gebeurt, dat ‎identieke anekdotes over de hele wereld zijn terug te vinden. Dus niet ‎door het naar voren halen van de “eigen voortreffelijke culturele ‎kwaliteiten”, vindt de kritiek op de andere gemeenschap plaats, maar ‎juist door het weglaten van “eigen voortreffelijke culturele ‎kwaliteiten”, waardoor er een universeel fenomeen ontstaat: de ‎trickster Jeha en de vrouw van Jeha. De verhalen waren inclusief!‎

         

De Jeha-verhalen stonden oorspronkelijk in Adab-boeken. Het ‎Arabische woord ‘adab’ werd in Indonesië vertaald door de ‎Nederlanders met Gewoonterecht. In Indonesië liet men het ‎gewoonterecht bestaan naast de Hollandse wetgeving. Maar zoals uit ‎de linken in het Nederlands en in het Engels op Wikipedia blijkt, is de ‎betekenis van het woord ‘adab’ breder. Prof. G.J.H. van Gelder zegt ‎het in De Gids van 1980 als volgt:

         

‎ ‎Terzelfdertijd wordt adab ook de naam van een eigenaardig ‎genre: antologieën met kortademige associatieve aaneenrijging ‎van fragmenten poëzie en proza, anekdotes, aforismen, grappen, ‎levensregels, epigrammen en wetenwaardigheden op elk gebied, ‎ruwweg ingedeeld in hoofdstukken als Oorlog, Ascese, ‎Vriendschap, Voedsel, Vrouwen. Kortom, alle eruditie waarmee ‎men in beschaafde conversatie een goede indruk kon maken. ‎Verfijnde geestigheden en wijze woorden staan naast platvloerse ‎grollen en obsceniteiten; maar zolang als de taal elegant en ‎correct is, heeft dit genre een hogere status dan, bij voorbeeld, ‎de Duizend en Eén Nacht.‎

         

‎ In dit citaat is niet van belang het benoemen van de onderwerpen, ‎waarin de Arabische literatuur vaak hoofdstukken in bloemlezingen ‎indeelde in het kader van het ‘Savoir-Vivre’. Ook de denigrerende ‎toon waarop een en ander wordt beweerd, wil ik hier niet aan de orde ‎stellen, hoewel ook daarvoor veel meer aandacht zou moeten zijn, nl ‎hoe professoren zich nogal eens laatdunkend over de Arabische wereld ‎uitlaten. Maar de opmerking dat het in deze grappen om ‎taalvaardigheid gaat, is wél van belang. Dit geeft namelijk aan waarom ‎deze grappen bewaard zijn gebleven: de grappen maakten deel uit van ‎onderwijs in de Arabische, Hebreeuwse, Fenicische of Kanaänitische ‎taal, en zijn daarin terecht gekomen via het spijkerschrift van ‎Babylonie en Assyrië, denk ik. Het waren in eerste instantie ‎schrijfoefeningen.

         

‎De Fenicische of Kanaänitische taal is misschien de eerste ‎taal, waarin ‎deze grappen ‎werden opgeschreven. De naam ‘Jeha’ zou ‎Fenicisch ‎kunnen zijn. De betekenis van deze letters ‘J’ en ‘H’ is niet ‎bekend, ‎maar zou bij omkering van de letters, —wat geoorloofd is in het ‎Fenicisch— iets met ‎‎‘reizen’ te maken kunnen hebben. Vandaar dat ‎veel van deze verhalen ‎bij reizende derwisjen en soefi′s terecht zijn ‎gekomen. ‎Pas met de ‎introductie van het massaal kopiëren van ‎geschriften, verschenen ze eerst ‎in het Turks en later in het ‎Arabisch als ‎op zichzelf staande verhaaltjes uit een ‎onderstroom weer aan de ‎oppervlakte. Na de uitvinding van de ‎boekdrukkunst veroverden ze ‎de ‎wereld met namen als Nasreddin, Tijl ‎Uylenspiegel, Groot Oog en ‎Klein Oog en Grote Klaas en ‎Kleine Klaas, ‎etc.. Namen die na het ‎verloren gaan van de eerste oorspronkelijke ‎verhalen (of het ‎oorspronkelijke verhaal) zijn ontstaan. Ook namen die ‎met de eerste ‎natievorming werden geassocieerd. Wat eerst in schrift ‎‎(Fenicisch? ‎Spijkerschrift?) als schrijfoefening was opgesteld, bloeide later weer op ‎als ‎geschreven kopie, en tenslotte na de uitvinding ‎van de ‎boekdrukkunst, in druk!

         

‎ ‎

De originele teksten.

De twee kwartels: Les deux cailles.‎

Pour fair honneur à son hôte, Djha rapporta deux belles cailles. Ils les ‎confia à sa femme, qui était un véritable cordon bleu.‎ “ Voici de quoi préparer un bon repas. J′ai invité un ami très cher ‎que je n′ai plus revu depuis vingt ans.‎” Mart–Djha, qui adorait le gibier, se mit aux fourneaux. Elle en voulait ‎un peu à Djha, qui trouvait le moyen de tant dépenser pour un ‎étranger alors que elle était privée de viande depuis bien longtemps. ‎Elle grommela contre cette charité mal ordonnée et (Arabische ‎constructie!) mijota un tagine juteux et parfumé. Et tout en mitonnant ‎le repas, elle se mit à goùter du bout des doigts. Tant et si bien qu′à la ‎fin il ne resta plus rien. Comme dit un proverbe: Goùter du bout du ‎doigt, vide même le trésor d′un roi!

         

À l′heure du repas, Djha revint accomagné de son invité. Ils ‎s′installèrent tels deux pachas dans la salle à manger en attendant ‎d′être servis. Comment Mart-Djha allait-elle s′en sortir? Elle n′en savait ‎encore rien. Elle trouverait une solution! Il faut dire que dans l′urgence ‎Mart-Djha excellait! Elle était capable de se frayer une issue même à ‎travers le chas d′une aiguille. Cette fois-là, elle fit discrètement signe à ‎son mari de la rejoindre dans la cuisine. Et avec son plus beau sourire, ‎elle lui enjoignit d′aller au fond du jardin aiguiser le couteau sur la ‎meule. Pendant que Djha était occup;e à sa tache, elle rejoignit l′invité ‎qui patientait sur son sofa. Elle le sortit de sa rêverie en lui soufflant ‎d′un ton grave:‎
“Malheureux! Pourquoi es–tu venu jusqu′ici?”‎
Surpris, ce dernier écarquilla les yeux et bredouilla:
‎ “Comment? Mais c′est mon ami Djha qui m′a invité. Voilà plus de ‎vingt ans qu′on ne s′était vus!”
‎ “Mon pauvre Monsieur, ne t′a–t–on pas dit que notre si gentil Djha ‎a changé?‎”
“Non! Je le trouve égal à lui–même.”‎
“Hélas! C′es ce qui trompe tout le monde! Sache que tu cours un ‎gand danger! Mon mari invite souvent des hommes pour les ‎couper……Comment dire? Les deux oreilles d′en–bas! Ne me ‎demande pas pourquoi, je n′en sais rien! C′est sa maladie. ‎Observe–le par la fenêtre. I lest déjà en train d′aigiser le couteau.”‎

         

L′ami se hissa sur ses pieds et vit effectivement Djha tout occupé à ‎aiguiser un énorme couteau. Effrayé par la dimension de la lame, il ‎enfila ses babouches et fila droit devant à travers champs. En ‎entendant la porte claquer, Djha cria depuis le fond du jardin:‎ “Qui est-ce?”
‎ Mart-Djha surgit telle une furie. Elle hurlait en agitant les bras:‎
‎ “Vite! Accours! Ton invité s′est envolé avec les deux cailles du ‎repas. Tu invites n′importe qui et me voilà de nouveau privée de ‎manger!”
‎‎ Sans làcher son couteau, Djha se mit à poursuivre son ami.‎
‎ “Hé! Reviens!”
‎‎ L′homme, effrayé à l′idée d′être émasculé, redoubla de vitesse en ‎apercevant Djha un couteau à la main. Djha, qui s′essoufflait, insistait:‎
‎ “Reviens! Ingrat! J′en veux au moins une sur les deux! Une pour ‎ma pauvre femme qui adore ça!”
‎‎ “Hé Djha! Si tu me rattrapes, je te laisserai me les couper toutes ‎les deux! lança l′homme qui se sentait enfin hors de danger.”
‎‎ Djha, qui croyait son ami devenu fou, retourna à la maison.

Pendant ce ‎temps, Mart-Djha avait discrètement enterré les os des deux cailles au ‎pied du jasmin.

         

LES FOURBERlES DE SI DJEH′A‎: Le couteau de Si DJeh′a tue et ressuscite.‎

Les quatre individus couchèrent en route. Ils n′eurent pas le temps ‎d′arriver à la maison de Si Djeh&primea. Celui-ci, pressentant qu′ils n′auraient ‎pas le temps d′arriver, s′adressa à sa mère ainsi qu′à sa femme et leur ‎dit: “ Demain ces gens–là viendront pour me tuer. Je me propose de ‎leur jouer un nouveau tour pour sauver nos vies.”
‎“Quel est le tour que nous leur jouerons, mon fils?” demanda sa ‎mère.‎
‎“Nous remplirons de sang une vessie que je placerai au cou de ma ‎femme, répondit–il. Quand ces gens–là seront arrivés, je lui ‎commanderai quelque chose. Elle se mettra en colère; je donnerai ‎alors un coup de couteau dans cette vessie et ma femme tombera. ‎Eux, ahuris à la vue du sang qui s′échappera de la vessie, ne manqueront pas de s′écrier : ‘‎Hélas! Si Djeh′a, qu′as–tu fait!’ et ils oublieront les faits passés.”

     

Le lendemain matin, ils arrivèrent. Ils rappelèrent : “Si Djeh′a, lui ‎dirent–ils, sors.”
‎“Qui m′appelle ainsi? ” demanda Djeh′a.‎
‎“Ce sont tes amis ”, dirent–ils.
‎ ‎“Quelesalutsoitsur vous”, répliqua Djeh′a.
‎ ‎“Sors donc.”‎
‎“Hé ! mes amis, allons, entrez à la maison.”‎
‎“Nous n′entrerons pas.”‎
‎“Entrez donc, vous déjeunerez et Dieu vous ‎favorisera.”‎
‎Ils entrèrent ensuite en disant :“ Quant à manger, nous ne ‎mangerons pas.”‎
‎“Par Dieu, vous mangerez,” repartit Djeh′a qui leur servit le ‎déjeuner. Ils se mirent à manger. Djeh′a dit alors à sa femme : “ ‎Apporte de l′eau. ” Elle refusa. Il lui dit une seconde fois : “ ‎Apporte de l′eau.” Elle refusa. Djeh′a se précipita sur elle, tira son couteau et la ‎frappa. Elle tomba couverte de sang et fit la morte.‎ Les quatre individus se dirent entre eux :“Voilà qu′un meurtre vient ‎d′être commis chez lui. Ce meurtre a eu lieu à cause de nous. ‎Maintenant comment ferons–nous?”‎ ‎“Mangez votre nourriture, leur dit Djeh′a, et ne craignez rien. J′ai ‎un couteau qui tue et ressuscite. ” Il alla vers sa femme, essuya sur elle ‎à plusieurs reprises la lame de son couteau en répétant ces mots :“Le ‎couteau de Djeh′a tue et ressuscite.” Au bout d un moment elle se ‎releva et dit à son mari :“ Ah! tu m′as tuée! ”‎ ‎“Je te tuerai et te ressusciterai souvent ainsi afin de te corriger de ‎ta mauvaise humeur”, lui dit Djeh′a.‎ Les quatre compagnons rèstaient stupéfaits. “Si Djeh′a, dirent–ils, ‎vends–nous ce couteau.”‎‎
‎“Je ne vous le vendrai pas ”, fit–il.‎
‎ ‎“Mon cher, vends–le nous. Nos femmes nous rassasient de chagrins ‎Celui qui sera mis en colère par la faute de sa femme la frappera et la ‎corrigera de son mauvais caractère ; il la ressuscitera ensuite avec ce ‎couteau.”‎‎
‎“Emportez–le, dit Djeh′a, je vous le vends.”‎‎
‎“Combien t′en donnerons–nous?”‎‎
‎“Vous connaissez l′usage ”, répondit Djeh′a. Ils lui donnèrent cent ‎douros et retournèrent chez eux.‎

     

Quand ils furent arrivés au village, ils remirent le couteau à l′un d′eux. ‎Celui–ci l′emporta. Le soir il appela sa femme et lui commanda quelque ‎chose. Elle n′obéit pas. Il se jeta sur elle, la frappa et la tua. Il s′approcha d′elle et dit:“Le couteau de Djeh′a lue ‎et ressuscite.” La femme ne bougea pas. Il l′emporta et l′enterra. Le ‎lendemain, un de ses amis prit le couteau sans avoir été prévenu que ‎le couteau de Djeh′a tuait et ne ressuscitait pas. Il l′emporta et partit. ‎Arrivé chez lui, il dit à sa femme :“Apporte–moi de l′eau. ” Elle n′obéit ‎pas. Il la frappa et la tua comme le premier. Il l′emporta et l′enterra. Le ‎lendemain, le troisième compagnon vint. Le second aussi ne le prévint ‎de rien. Il donna un ordre à sa femme. Celle–ci ne lui ayant pas obéi, il ‎se leva et la frappa. Il la tua. Elle ne bougea pas plus que les premières. ‎Il l′emporta et l′enterra. Le lendemain, le quatrième arriva. Son ami ‎ne le prévint de rien. Il emporta le couteau et partit. Arrivé chez lui, il ‎dit à sa femme : « Fais–nous le dîner. “Attends un peu,” répondit–‎elle. “A présent, je suis occupée.” Il se leva, la frappa et la tua. Elle ‎ne bougea pas plus que les autres. Il l′emporta et l′enterra. Il alla ‎aussitôt chez ses amis, les réunit tous les quatre et leur dit :“ ‎Comment se fait–il que ma femme soit morte? Elle ‎n′a pas bougé. Et ‎vos femmes?”‎
‎ ‎“Elles sont toutes mortes.”‎
“Eh ! bien, dit–il, nous irons chez ‎Djeh′a. Cette fois–ci nous mangerons sa tête, car il nous en a trop fait; ‎même nos femmes, c′est lui qui les a tuées ! Maintenant qu′attendons–‎nous? Nous n′avons plus qu′à partir, et, si Dieu le permet, ce sera sa ‎mort. Il ne se moquera plus de nous. Cette fois–ci, c′est la dernière ! ” ‎

     

‎ ‎

Dit is uit een serie van op elkaar volgende verhalen, die niet variaties van elkaar zijn.