Voor de oorspronkelijke tekst, spring hier naar de Spaanse tekst van Yra (Spaans, yra=woede, toorn).

“Hier spreekt hij over de zonde van de ijdelheid (en toorn).”.

Commentaar.

 Op het plaatje hiernaast zou je je kunnen voorstellen dat Nebukadnezar (605-562 v.Chr.), Saul (ca. 1025 v.Chr. tot ca. 1010 v.Chr.) en David (ca. 1010 v. Chr. tot ca. 970 v. Chr.) de spitting leaders zijn van de beeldengroep van Fernando Sáchez Castillo. Maar wat doet Samson, die geen wereldleider was, daartussen? Onder Nebukadnezar werd het Joodse volk in gevangenschap weggevoerd naar Babylon, Saul was de eerste wettelijke koning van Israël, en David was zijn getalenteerde rivaal en opvolger, Samson ging nog aan beiden vooraf. Samson, Saul en David zijn verre voorgangers van Nebukadnezar.

         

Nebukadnezar gooide de profeet Daniël in de leeuwenkuil, een allegorie voor de gevangenschap van het Joodse volk onder de dictatuur van Nebukadnezar, de leeuw (= koning, dictator). Samson versloeg de leeuw om zich een vrouw te winnen, wat uitgelegd zou kunnen worden als dat de vader van het meisje een Filistijnse (Palestijnse) koning was die hij eerst moest overwinnen om met het meisje te kunnen trouwen. Saul heeft met geen enkele leeuw of koning te maken: hij wordt zelf tot koning (leeuw) verkozen door het Joodse volk. Hij was hun eerste koning! Het verband tussen de vier figuren is de leeuw, die men moet bestrijden of die men zelf zou moeten zijn.

         

De fabel met de titel “De leeuw die zich uit woede doodde” —Juan Ruiz voegt die ter verduidelijking toe aan deze doodzonde— wijst ons erop dat het koningschap en de verantwoordelijkheden van een koning bij het bespreken van de Toorn centraal staan. In de Marokkaanse versie van de zesde zonde, stond de Toorn Gods centraal. Juan Ruiz verschuift de aandacht van het goddelijke naar het mensenlijke ingrijpen in wereldzaken, in de wereldpolitiek. Hij is daarin consequent de aandacht aan het verleggen van het goddelijke naar het individueel psychologische vlak. De Marokkaanse versie keert zich tegen demonische, goddelijke schaduwen, maar Juan Ruiz wendt zich tot de koning zelf, zijn wereldheer.

         

Boven dit hoofdstuk staan twee zonden: ijdelheid (vanidat) en toorn (yra). Dit zal gedeeltelijk te maken hebben met wat we al vaker hebben gezien, dat bij de bespreking van een hoofdzonde, ook de andere hoofdzonden de revue passeren. Anderzijds, heeft het ook te maken met Juan Ruiz′s wens de hiërarchie van doodzondes te doorbreken om mogelijk te maken dat het liefdesconcept beter tot zijn recht komt: de mens is niet alleen slecht, hij is vooral goed. “IJdelheid” wordt oorspronkelijk geassociëerd met de eerste hoofdzonde “Superbia” en duikt hier ineens op, bij de bespreking van de zesde zonde, bijna op het laatst. Het voorkomen van “ijdelheid” op deze plaats heeft echter vooral te maken met het onderwerp “koningschap”. Een koning kon door zijn gedrag en kleding al snel voor ijdel doorgaan; daarmee verspeelde hij de sympathie van het volk. Als voorbeeld gebruikt Juan Ruiz hier Nebukadnezar, die om de sympathie van zijn volk te herwinnen zich tot een dier moest verlagen en gras moest eten (Bijbel: Daniël,4: 28-34). Ook uit historisch onderzoek is gebleken dat Nebukadnezar veel te stellen had met het winnen van de sympathie van de steden in de omgeving van Babylon, waar hij overigens niet met plezier woonde, maar er zich ophield om zich te kunnen handhaven (Arnaud: Les métamorphoses).

         

Als je dus eigenlijk nogal ijdel bent van nature en wordt gefrusteerd om dit te kunnen uiten, ligt voor een koning het gebruik van onderdrukking van anderen door middel van het uitleven van je woede (yra) binnen bereik. Bij de bespreking van Toorn gaat het hier om het uitleven van je woede in een veroveringsoorlog. De koning (dictator) richt zijn agressie op het buitenland om binnenlandse onvrede geen kans te geven de kop op te steken. En nu is meteen duidelijk waarom David en Samson erbij worden gehaald. Beide figuren staan bekend om het voeren van oorlog, en wel met de Filistijnen (Palestijnen). Je zou je kunnen afvragen wat er, sinds David die Goliath versloeg en Samson die de leeuw versloeg, in vergelijking met nu is veranderd.

         

De zesde doodzonde is dus niet zo individueel te interpreteren als de voorafgaande zondes. Door de fabel geeft Juan Ruiz er nog wel deze draai aan. Hij beweert dat alle (oorlogs)geweld zich uiteindelijk tegen de agressor zelf keert. Dit is voor het jaar 1300 naChr. een toch wel verbluffend diep psychologisch inzicht! Het is met andere woorden vechten tegen dolle windmolens, net zoals Cervantes in de Don Quichot 200 jaar later beweert. Toorn neemt met andere woorden een heel bijzondere plaats in in de serie van Zeven Doodzondes. In feite wordt hier een politieke pacifistische uitspraak gedaan!

         

Opmerkelijk is de kritische houding van Juan Ruiz (1282-1351) aan het adres van de koning van Castillië en Léon van die tijd: Alfonso XI (1311-1350). Alfonso was in 1325 op veertienjarige leeftijd koning geworden. Tot 1350, het jaar waarin hij aan de pest overleed, streed hij samen met Portugal tegen de binnenvallende Moren. Behalve het aspect “leeuw” heeft hij met de vorige heersers gemeen dat hij in het begin van zijn koningschap wordt vertegenwoordigd door iemand anders. Kortom hij kreeg de erfenis van het bewind van iemand anders voor zijn kiezen. Maar de strijd tegen de Moren had Juan Ruiz toch positief moeten beoordelen. Niet dus: Juan Ruiz kiest voor de vrede!

         

Noten bij Yra.

(1)Onder Nebukadnezar vond de eerste grote gedwongen volksmigratie van het Joodse volk plaats. In dit geval werd men in gevangenschap naar Babylon gevoerd. Nebukadnezar werd gewaarschuwd voor zijn overmoedig gedrag. Toen hij hiernaar niet luisterde, moest hij als de beesten gras eten. Pas in een latere fase, onder de “krankzinnige” koning Nabonidus vertegenwoordigd door Darius, treedt de profeet Daniël op als voorganger in het handhaven van de joodse religieuze voorschriften. Daarop werd hij in de leeuwenkuil gegooid. De leeuwen lieten hem echter ongemoeid. Daniël werd vaak geraadpleegd om dromen te interpreteren, wat hem en het Joodse volk een geprivilegieerde plaats in Babylon opleverde. Beroemd is het opschrift uit de Daniëls tijd waarvan de betekenis nooit is opgelost: “Mene mene tekel ufarsin” (vert. “geteld, geteld, gewogen en verdeeld”). Deze formule zou erop kunnen wijzen dat Daniël niet zomaar een profeet was, maar meer een magiër met sjamanistische technieken. In het sjamanismisme speelt het tellen en wegen van allerlei dingen (steentjes, ingewanden etc) een grote rol. Hoewel sjamanisme nogal eens gelijk gesteld wordt met uittreding en trance, mag je het sjamanisme daaraan zeker niet gelijk stellen. De associatie met magiërs is van belang in verband met het Zoroaster-geloof, een beweging in de omgeving van Babylon die we al eens eerder bij een bespreking van het Marokkaanse verhaal over Foufouya waren tegengekomen.

         

(2) In het commentaar bij de Spaanse tekst staat hier iets bijzonders. Het commentaar haalt de heilige Isidorus (560-636) in zijn boek De summo bono (Over het allerbeste: 2, 39) aan: “Nisi praecessisset latens superbia, non sequeretur libidinis manifesta luxuria” (vert. Als de verborgen (onbewuste?) Hoogmoed er niet aan vooraf zou gaan, zou de naar buiten tredende (bewuste?) Wellust niet volgen). In de vertaling van Het boek van de Goede Liefde staat te lezen: “……beroofde hem van al zijn macht……”. Dit zou je hier kunnen lezen alsof God Nebukadnezar van zijn Hoogmoed beroofde, waardoor hij alle lust tot het ondernemen van oorlog verloor. Seks en oorlog worden onder de noemer Luxuria (wellust) gebracht. Vergelijk hiermee ook het verhaalde in het Marokkaans-Berberse verhaal over Luxuria: wordt hierin ook oorlog en seks (–orgie) niet onder een noemer gebracht? Het is verbluffend om deze psychologische uitleg, die wij toch eerder aan Freud of aan Jung zouden toeschrijven, in zulke oude geschriften aan te treffen. Daarbij moet natuurlijk wel opgemerkt worden dat “bewust” en ”onbewust” van plaats verwisselen: Wellust (luxuria) plaatsen wij in het onbewuste, Hoogmoed (superbia) eerder in het bewuste. Ook hier weer een waarschuwing van Juan Ruiz tegen het voeren van oorlogen, die voortkomen uit onbewuste hoogmoedige drijfveren. Je zou bijna zeggen: uit het baldadige verlangen naar seks die zich moet kunnen uiten.

         

(3)In de vertaling: “……precies als een beest……”. Gezien de omgeving waar Nebukadnezar leefde, kan ik mij er niet aan onttrekken, in het geciteerde een verwijzing naar Gilgamesh te zien, en dan vooral naar de scène waarin Enkidu zich onder de dieren begeeft, harig is als een beest. Vergelijk het verhaal dat eerder op dit blog stond op Kerstmis 2016.

         

(4)Aan het begin van dit blog over de zesde doodzonde staat een tekening waarop een nar in gezelschap van een koning is te zien. De koning grijpt in verwarring door al het gediscussieer naar zijn hoofd. Hij weet niet meer waar hij het zoeken moet. Het plaatje verduidelijkt de opmerking van Juan Ruiz:“……en de dwazen slaan elkaar dood, omdat jij zo′n schelm bent……” Weer komt in de tekst een verwijzing voor naar de trickster, een schelm die de zaak in de maling neemt. Het lijkt erop dat de Zevendoodzonden gepersonifieerd werden als grappenmakers, die je bij de neus namen, die je verleidden dingen te doen die je niet moest doen. De opbouw van de tekst heeft de mogelijkheid om zichzelf te relativeren. In de tekst vindt als het ware de dialoog plaats tussen de koning en de nar, de trickster.

         

(5)Om de rol van Samson en Saul in dit verhaal beter te begrijpen, vraag ik u naar het begin van dit commentaar te gaan. Hierin staat de uitleg over het optreden van deze figuren in dit gedeelte van de Libro de buen Amor over de zesde doodzonde.

         

(6)Dag van de week : donderdag, zult ge om uw geweldige driftigheid en omdat gij hebt ‎gelogen en meinedig waart, linzen met zout eten, en als ze u goed smaken, schuif ze dan ‎om Godswil van u weg; wijd u daarenboven veel aan ′t gebed.‎

         

De Spaanse tekst van Yra.