Spring hier naar de originele teksten van Rabelais..

Noten bij Gargantua

         

Message in a bottle.

(1) In het Frans staat er BacBuc. Daar maakt Sandfort KlikKlok van en ik heb het hertaald naar KlankKruik , omdat deze naam het gorgelende geluid moet oproepen dat een fles maakt als je hem uitschenkt of in water onderdompelt om hem te vullen. In het geweldige artikel van Marie–Luce Demonet–Launay staat te lezen dat BacBuc in het Hebreeuws “fles” (בקבוק) betekent. Het woord is pas later aan de tekst toegevoegd, tussen 1548 en 1560. Over de laatste boeken van de Gargantua en Pantagruel bestaat twijfel of ze wel door Rabelais in z′n geheel zijn geschreven. Veel woorden verschijnen pas later in de tekst, zoals de naam BacBuc. Toch is het een sleutelwoord om de structuur van de Gargantua en Pantagruel te doorgronden. Dat is die van het sprookje, waarvan Vladimir Propp de 31 sequenties als de structuur voor elk sprookje heeft beschreven. Op basis hiervan is ook deze samenvatting van dit gigantische werk van Rabelais gemaakt, wat naar mijn idee heel erg goed heeft gewerkt, omdat het tot een inzichtelijke samenhang van de Gargantua en de Pantagruel heeft geleid.

         

De zoektocht die hier in het vierde boek van de Pantagruel begint (bij Propp functie 11, vertrek, of 20, terugkeer), is gemotiveed, doordat Panurg in het derde boek een lege fles krijgt van een als een orakel sprekende gek. Panurg is niet tevreden met een lege toekomst, maar wil weten wat er verder voor hem onder de kurk zit. Daartoe moet hij op zoek naar het Orakel van de Fles, BacBuc. Om het orakel gunstig te stemmen zijn de schepen van allerlei soorten “flessen”, “glazen”,“bekers”,“tonnetjes”, “vaten” etc. voorzien.

         

Net als in het Hebreeuws geeft BacBuc in het Arabisch (بقبق) het gorgelende geluid, de klank, weer van water dat een fles in– of uitstroomt. In het Arabisch geeft het alleen de klank weer en lijkt daarom op een klanknabootsing, een onomatopee. Dit wijst op een oude oorsprong van het woord in het Arabisch en het zou daarom weleens uit het Phoenicisch hebben kunnen komen. Later zal ik hiervoor andere argumenten aandragen.

         

Historisch gezien is het verschijnen van het woord BacBuc aan het begin van het vierde boek interessant. De correctie vindt plaats in een periode (1548) waaraan veel jodenvervolgingen vooraf zijn gegaan: van 1498 — 1600. Simon Schama heeft hierover in De geschiedenis van de Joden indrukwekkend verslag gedaan. Daarnaast werden de protestanten vervolgd en mensen als Jeanne d′Arc op de brandstapel gezet. Dat ging Rabelais niet in de koude kleren zitten. In dit hoofdstuk staat dan ook Psalm 114: Toen Israël uit Egypte toog als een verwijzing naar al het leed dat mensen aanrichten die het zogenaamd goed met anderen voor hebben.

Toen Israël uit Egypte toog,
     Jacobs huis uit een volk van vreemde taal,
werd Juda tot zijn heiligdom,
     Israël zijn rijksgebied,
De zee zag het en vluchtte,
     de Jordaan wendde zich achterwaarts;
de bergen sprongen als rammen,
     de heuvelen als lammeren,
Wat was er, o zee, dat gij vluchtet?

         

BacBuc staat in de Hebreeuwse etymologie uit 1548 (?), Sefer ha-shorashim, te boek als een woord dat aangeeft het geluid dat een fles maakt als je het leeg laat lopen of als je hem vult door hem onder water te houden (gorgelen). Met het woord “bacbuc” kun je ook het geluid weergeven van de zee die aankomt rollen op het strand, en zich weer gorgelend en zuigend terugtrekt in zee. Deze onomatopee is later het woord voor fles geworden. Bij Rabelais is het de naam van een profetes, die in raadselen spreekt: BZZZ en BZING, als je het in een gedachtenwolkje in een tekenstrip zou verklanken. De profetische taal is universeel: de barrière door de verschillen in taal opgeworpen kent de profetische taal niet. Het lijkt erop dat Rabelais neigt tot het propageren van profetieën.

         

In 1552 wordt een boekje van naam Het boek van de fles (Sefer ha–baqbuq) in de Provence (Frankrijk) waar veel uitgeweken Joden wonen, opnieuw uitgegeven. Het is ook de vanouds de door de Phoeniciërs bewoonde streek. De naam Marseille is waarschijnlijk Phoenicisch: m‐ras‐silla, betekenis plaats (m) op een landtong (ras=hoofd, landtong) voor handel (silla). Van Joden en Phoeniciërs wordt weleens verondersteld dat zij veel gemeenschappelijks hebben. Ze kenden in ieder geval beiden Kanaän als een belangrijke regio voor handel en spraken elkaars taal. Er zijn echter wel grote verschillen in de betekenis van veel woorden in het Hebreeuws, Phoenicisch en Arabisch. Het boekje, Sefer ha–baqbuq, staat in een joodse parodie–traditie volgens Marie–Luce. Het wordt in de XIV eeuw uitgebracht en wordt toegeschreven aan de filosoof Levi ben Gerson (Gersonides). Waarschijnlijk gaat het voorkomen in de Pantagruel van de naam BacBuc terug op het opnieuw verschijnen van dit boekje in 1552. De bedoeling van het boekje was dat er grappen uit voorgelezen werden tijdens de Poerim festiviteiten, waarbij de joden vieren dat Esther voorkwam dat de Babylonische vorst Ahasveros (waarschijnlijk is dit Xerxes) het Joodse volk in gevangenschap uitroeide op instigatie van de boosaardige (H)Aman (sommigen hebben het over Haman, anderen over Aman). Haman werd Boeman, en hierin zie je al hoe een serieus feest gebruik maakt van grappige woordspelingen om zich van een nachtmerrie te bevrijden.

         

Er is een theorie dat Esther eigenlijk Ishtar, Astarte (Ashera), is en dat haar oom, Mordechai, in feite de Babylonische godheid Mardoek is. Rond Mardoek bestaan er veel verhalen, waarin hij belachelijk wordt gemaakt. Zo wordt hij met stokslagen het podium opgejaagd en bebloed en wel, lijkt hij een koningsmantel te dragen, maar is hij hiervan het tegenovergestelde, een slaaf. Waarom is het grappig? Het is grappig omdat in de dagen van Mardoek het straffen met stokslagen nog niet bestond, en het daarom hier duidelijk om een toneelopvoering, een vertoning, gaat (Arnaud, Le métamorphoses etc: zie literatuur). De rol van Astarte is bekend als een voorloopster op de Mariaverering in de Katholieke Kerk. Het lijkt dan ook in het verhaal van Esther niet meer om een feitelijk verhaal, maar om een toneelopvoering te gaan waarin herdacht werd dat de joden ontsnapten aan genocide. Dat werd met klaterend lachen, wijn en plezier gevierd. Ook in de Provence.

         

Je krijgt de indruk van een spektakel wat Marie–Luce noemt een carnavaleske–mystiek (mystico–carnavalesque) met veel grappen en verkleedpartijen. Rabelais lijkt een samensmelten na te streven van de Hellinistische cultuur, het Latijn en de Joodse en Christelijke folklore. Dit boekje Sefer ha–baqbuq doet niet alleen aan onze dichter Habakuk de Balker II, maar ook aan de joodse profeet Habakuk denken. De associatie dat ook voor Rabelais taal iets met profeteren te maken had, ligt voor de hand, op het moment dat hij de KlankKruik (BacBuc) ten tonele voert aan het begin van Boek IV. BacBuc staat voor de versmelting en daarom blijft het niet bij een klankkast, maar wordt het de naam van een profetes. Deze profetes heeft Etruskische wortels. En langs deze weg kom je weer bij de Phoeniciërs terecht, als je ervanuit gaat dat de Etrusken, toen nog Lydiërs geheten, uit Klein Azië (enigszins omstreden theorie) komen, de bakermat van de Phoeniciërs. Ik weet van geen arbeidsdeling tussen Grieken en Phoeniciërs, maar in het algemeen kun je zeggen dat de Grieken de productie van keramische potten voor hun rekening namen en de Phoeniciërs de handel erin, waaronder de handel in glazen (geblazen) flessen. Het woord in het Latijn “butticula” (fles in de vorm van een Chianti mandwijnfles) is niet alleen van Romeinse en Etruskische afkomst, maar gaat waarschijnlijk zelfs terug op de Phoeniciërs. In ieder geval doet dit glaswerk denken aan een van de bekendere clowns uit het Romeinse theater: die met de brede kaak, de Bucco, de dommerd, de olifant in de glazenkast. Het Etruskisch kent nog meer overeenkomsten met de Phoenicische cultuur. Veel spelletjes (ganzenbord en dobbelstenen) gaan op de Lydiërs (Etrusken) terug, omdat ze om hun honger te verdrijven spelletjes speelden, zo gaat het verhaal. Vanwege de honger vertrokken ze uit Klein Azië om zich in Italië te vestigen. In de streek in Klein Azië waar de Lydiers vandaan komen en waar vanouds ook de Phoeniciërs, de Grieken en de Romeinen lange tijd woonden, staat nog steeds een monument dat ons eraan herinnert hoe belangrijk het is te lachen: het grafmonument van Nasreddin te Ak┼čehir.

         

Ten slotte: BacBuc brengt zelfs Maimonides, een beroemd slachtoffer van de jodenvervolgingen uit die tijd, in gedachten, omdat hij een boek schreef met de titel: Gids voor dolenden. Dat doet niet alleen aan de Dolende Ridder Don Quichotte denken, maar ook aan de zeereis die Pantagruel en zijn gezellen in Boek IV gaan ondernemen. Belangrijk in het werk van Maimonides is het begrip “perplex staan van iets” (vertaling voor “dolen, verdwalen”!). Deze geestestoestand overkomt Panurg in de komende verhalen met de regelmaat van de klok. We kunnen dan ook aan de karateristiek van een trickster toevoegen: het perplex staan, het zo regelmatig door de wereld overdonderd worden dat je Zeus en zijn Bliksem gaat zoeken in de echo van eb en vloed in een fles: een message in a bottle.

         

(2) In hoeverre hier sprake is van een echt verband met de Zeven Doodzonden is onduidelijk. Je zou kunnen zeggen dat in het verhaal alle zeven doodzonden aan de orde komen, zoals Superbia, Avaritia, Luxuria, Invidia, Gula, Ira en Acedia. Hier komt dan een korte verwijzing voor naar Avaritia aan de orde, dat we in een Spaanse en Marokkaanse variatie hebben besproken.

         

(3) Zee Haven: oorspronkelijk stond er “port de Thalasse”, waarbij de eigenlijke naam van de haven dus is: Thalasse. Thalasse betekent in het Grieks “zee”, dus heet de haven kortweg Zee. Omdat dat niet klonk heb ik er Zee Haven van gemaakt.

         

(4) En hier komen we dan Broeder Jan weer tegen, die op het eind van de Gargantua een eigen klooster en kloosterorde krijgt in de Thelemieten. Je zou uit het voorkomen van deze naam op deze plek in het verhaal kunnen opmaken dat de Pantagruel niet later, maar eerder is geschreven dan de Gargantua, vandaar dat de Gargantua eindigt met het oprichten van de kloosterorde. Ook een mooi einde van dit verhaal. Blijkbaar heeft Rabelais tot een ander einde besloten.

         

(5) Carpelim (Karpelin): nog alweer een naam die we al zijn tegengekomen, dit keer in het verhaal over hoe Pantagruel kennis maakt met Panurg. Ook de andere namen, zoals Epistemon, worden keurig geïntroduceerd in het grote verhaal, maar aan hen is geen blog gewijd om de ontwikkeling van het verhaal overzichtelijk te houden. Van de buitelingen van Gymnast bestaan bijvoorbeeld prachtige plaatjes uit de Rabelais Bilingue, zoals hiernaast is te zien. Door in de browser op venster “vernieuwen” te klikken kun je de animatie opnieuw afspelen.

         

(6) De naam Xeno-maan is nieuw. Ook deze naam kun je in twee Griekse morfemen ontleden. Xeno komt dan van het Griekse “xenos” ( ξενος) en Maan komt van een ander Grieks woord “mania” (μανια ). Samen krijgen ze de betekenis: iemand die geobsedeerd is door het vreemde, het buitenland, het buitengaatse. (In het Oude Griekenland hield dit vaak in dat iemand altijd maar weer de zee opging. Dit stond dwars op de nogal op hun eigen land gestelde Grieken die vaak last hadden van heimwee: Thalassa, Thalssa (θαλασσα) bij de terugkeer van Xenophon aan de Klein Aziatische kust). Toch is deze uitleg misschien niet terecht, omdat Rabelais dan niet geweten zou hebben dat “xenos” juist de vreemdeling aanduidt die een land binnenkomt en niet de vreemdeling in het buitenland (dat is een Barbaar). Rabelais wist dit ongetwijfeld, maar maakte daar geen punt van. Misschien met een bedoeling?

         

(7) In drie hoofdstukken op het eind van Boek III wordt, zoals dat in een sprookje gaat, aan de helden een tovermiddel ter beschikking gesteld: pantagruélion. In alle commentaren wordt gezegd dat het hier om hennep gaat, de plant waar hasjiesj van wordt gemaakt. Hasjiesj waren we al eerder in de Gargantua tegengekomen, als een bijnaam voor Broeder Jan (Frère Jean des Entommeurs). In de Pantagruel was het al geïntroduceerd als het tovermiddel waarmee je alle vijanden kunt verslaan. Omdat het verwijst naar het recht van een koning (Pantagruel gaat door voor Henri II) heeft het tovermiddel ook de oorspronkelijke betekenis van hennep om touw te maken(voor de galg). In de betekenis van: “Nu hang je”, omdat het ook ingezet kon worden om dieven te verstikken, de mond te snoeren. Of dit iets te maken heeft met de bestaande observatie dat hasjiesj voor een droge keel kan zorgen en je tot overgeven kan aanzetten, net als dat dieven nogal eens ongewild op de plek van inbraak moeten overgeven, kun je je afvragen. Het is in ieder geval een grappig woordspel!

         

(8) De naam Thalamege gaat alweer terug op het Grieks: In Rabelais tijd was het een zeilschip met aan boord kamers, hutten, om in te overnachten. De anderen overnachtten blijkbaar in de openlucht!

        

(9) In het blog van 30 januari van dit jaar (op het einde van het blog) heb ik uw aandacht gevraagd voor de oren, handvaten, van de Romeinse kruik (amfoor), die in een Griekse traditie symbolisch stonden voor elkaar omhelzen. De nadruk die Rabelais hier in het verhaal erop legt, of een vaas één oor heeft of twee, heeft er ongetwijfeld mee te maken dat hij deze bijbetekenis van “oor” nog kende.

         

(10) In de oorspronkelijke tekst stond: Bourrabaquin monachal, wat ik met miskelk heb vertaald vanwege het woordje “monachal”, dat “kloosterlijk” betekent. Bourraquin betekent fles (flacon, volgens het Franse commentaar), maar ik weet niet in welke taal; in het Frans kan ik het niet terugvinden. Volgens het Arabisch zou het iets met de kelk van een lelie (bloem) te maken kunnen hebben.

         

(11) Heraclitus is beroemd om de uitspraak: “Alles stroomt”. (Grieks: panta rei: πάντα ῥεῖ). Hij was een van de eersten die de basisprincipes van de Humorale Theorie heeft geformuleerd.

         

(12) Zie noot 1.

         

(13) Ik heb hier voor de vertaling “geklonken” gekozen, omdat het op elkaar klinken vooruitloopt op de tocht naar de goddelijke Fles, BacBuc, alsof het klinken een boodschap inhoudt,. Nog altijd wordt, als men elkaars glas klinkt, gezegd: Gezondheid of Prosit (Dat het je goed mag gaan); in ieder geval een positieve wens van de een voor de ander.

         

(14) De tekst zou hier verwijzen naar een zekere Jacques Cartier, die drie ontdekkingsreizen naar Canada heeft gemaakt (1534, 1535 en 1541), omdat Rabelais′ vloot vertrekt vanaf Saint–Malo, waar Cartier geboren is, en gaat naar Catay, wat een plaats in Canada zou kunnen zijn die Jacques Cartier heeft aangedaan. Catay zou dan een verbastering van Carey moeten zijn, Olonne van Saint–Malo en Jamet zou een verbastering van James moeten zijn. Cartier wilde de Fransen een voorsprong in de zeevaart bezorgen om de Portugezen en Spanjaarden te beconcureren. Hij dacht dus dat hij ergens in Indië terecht was gekomen. Rabelais zou zich over de zeevaart persoonlijk door Jacques Cartier hebben laten informeren. Dit zou de grote kennis van scheepvaart en scheepvaarttermen van Rabelais verklaren.

         

(15) Waarschijnlijk is hier sprake van een grap, omdat Herodotus de Phoeniciërs om Afrika heen laat reizen en daarbij opmerkt dat ze eerst de zon rechts zagen ondergaan en daar rechts zagen opkomen. Herodotus voert dit als een reden aan, waarom hij denkt dat het verslag van die reis niet klopt. Rabelais gebruikt dit gegeven al voor de tweede keer, eerst in de Gargantua en nu in de Pantagruel.

         

(16) Quintus Metellus Celer, Cornelius Nepos, Pomponius Mela (zeekaarten) en Plinius de Oudere.

         

         

De originele tekst.

Uit: Rabelais, Les cinq livres des faits et dits de Gargantua et Pantagruel Édition intégrale bilingue, Quarto Gallimard, 2017: Comment Pantagruel monta sus mer, Livre IV, Chapitre PREMIER, pag.922–926 (helemaal)